De afdaling van de alpenkoeien. In de regio
Bij de afdaling van de alpenweiden worden in de herfst de koeien en schapen van de alpenweiden naar het dal gebracht. Vroeger werd dit gebruik alleen feestelijk gevierd als het vee gezond was en geen schade had opgelopen, als er gedurende het jaar niemand in de boerderij was overleden en ook de herder gezond met het vee naar huis was teruggekeerd. Als teken van dankbaarheid vieren boeren, herders en schaapherders de dag van de afdaling door het vee dat aan hen is toevertrouwd te versieren met alpenbloemen, kleurrijke linten, dennengroen en andere versieringen. Bovendien worden de kleinere weidebellen, die de dieren de hele zomer op de alpenweide dragen, vervangen door de grotere en waardevollere trekbellen, die ze alleen bij deze gelegenheid omgehangen krijgen en die heel verschillend klinken. Het geluid van de bellen moet boze demonen verjagen, zodat op de weg naar het dal noch dier noch mens gewond raakt.
De ‘Kranzkuh’ (kranskoe), die de stoet aanvoert, neemt een bijzondere plaats in. Haar hoofdtooi is ongewoon groot en meestal is er een kruis of een spiegel in verwerkt, waarbij het kruis de zegen van God symboliseert en de spiegel boze geesten moet verdrijven. Afhankelijk van de regio draagt alleen de ‘Kranzkuh’ een hoofdtooi, of gaan drie ‘Kranzrinder’ de stoet aan. Als er vroeger een dier omkwam of als er in het jaar van de Almabtrieb iemand in de boerderij overleed, droeg het eerste rund vaak alleen een houten bordje met de naam van de alm. Feestelijkheden waren dan volledig verboden.
Een groot deel van de gemeenten in de regio Hall-Wattens houdt vast aan deze religieuze traditie en organiseert een feestelijke afdaling van de alpenweiden alleen onder de bovengenoemde voorwaarden.



