De meest karakteristieke maskers worden uit alpendenhout gesneden
Als in bijna geen enkele andere Tiroolse regio staat het carnavalsfeest in Hall-Wattens centraal in het dorpsleven. In tegenstelling tot andere Tiroolse carnavalsfeesten, die slechts om de vier of vijf jaar plaatsvinden, is er in de regio Hall-Wattens elk jaar een grote optocht – afwisselend in verschillende dorpen. Het spreekt dan ook bijna voor zich dat ook het snijden van de kunstzinnige maskers in de regio een grote traditie kent. Het populairste hout onder veel houtsnijders is de alpenden. Waarom de „Boom van het Jaar 2011“ hiervoor zo geschikt is, vertelt een deskundige…

Een bijzonder soort hout voor een bijzondere kunstvorm
Het is al lang bekend dat alpendenhout heel bijzondere eigenschappen heeft: misschien zijn het wel de aromatische oliën en balsems die in het hout zijn opgeslagen, die in bedden van alpendenhout zorgen voor een aanzienlijk betere slaap en het hart zo 3.500 slagen per dag besparen. Het is bestand tegen bacteriën en schimmels als bijna geen ander hout, en ook de gevreesde houtworm blijft ver uit de buurt van deze boomsoort, die vooral in alpiene gebieden goed gedijt.
Niet alleen timmerlieden en dakspanenmakers waarderen de „Boom van het Jaar“ 2011 om deze eigenschappen: Geselecteerd alpendenhout, dat bijvoorbeeld in de Tuxer Alpen is gegroeid, wordt in de regio Hall-Wattens gebruikt als grondstof voor een van de belangrijkste onderdelen van de kostuums van de „Fasnachtler“: Echte, met de hand gesneden maskers van alpendenhout zijn een van de kenmerken van de optochten in de dorpen rond Hall in Tirol.
Christian Pittl vertelt hoe de maskers tot stand komen en waarom juist het hout van de alpenden, de ‘koningin van de Alpen’, zo geschikt is voor het snijden van maskers. De inwoner van Mils snijdt al bijna 40 jaar carnavalsmaskers. Hij begon al op zijn vijftiende thuis aan de keukentafel en leerde de techniek, geïnspireerd door zijn vader, beetje bij beetje zelf. Destijds raakte deze kennis bijna verloren, totdat de carnavalstraditie in het recente verleden weer aan belang won: „Het zachte alpendenhout splintert niet en is daardoor ideaal om te snijden. Bovendien ruikt het masker zelfs na jaren nog naar alpendenhout – en dat jaagt ook houtwormen weg en draagt zo bij aan de ‘houdbaarheid’.” Maar niet alleen de materiaaleigenschappen onderscheiden het hout: „Het alpendenhout geeft het masker karakter. Elk masker vertegenwoordigt enerzijds het type figuur – Zottler, Klötzler, Kranewitter enzovoort – maar anderzijds ook de individuele drager.“ Elke ‘Maschgerer’ of ‘Muller’ herkent zijn masker onmiddellijk – of er nu 5 of 10 van dezelfde figurengroep naast elkaar liggen.
Pittl snijdt met veel liefde ongeveer 10 maskers per jaar: na het snijden worden de maskers beschilderd – of „gefasst“, zoals de vakman dat noemt – en ook daarvoor neemt hij ruim de tijd. Geen wonder dat een masker zo’n 300 euro kost. Net als de rugzak van de carnavalsvierders wordt het een echt familiestuk: „De maskers worden van generatie op generatie doorgegeven. Het zijn gebruiksvoorwerpen. Na zo’n 10, 15 jaar slijt de verf langzaam. Dan komen de positieve eigenschappen van het alpendenhout weer goed tot hun recht: onder de verf komt namelijk het gladde, vettige hout tevoorschijn, dat de larve vervolgens voor de komende jaren een bijzondere uitstraling geeft.”
Meer over de carnavalsvieringen in de regio Hall-Wattens: http://www.hall-wattens.at/de/fasnachtsbraeuche.html
